
Joop
Stotijn schoonspringafdeling van DSZ
HOMEPAGE - INDEX PAGINA SCHOONSPRING REGLEMENT
REGLEMENT ARTIKEL F15
Artikel F15 De scheidsrechter naar artikel F14 naar artikel F16
15.1 Door
of namens de scheidsrechter zal vóór de wedstrijd worden nagegaan of de te
gebruiken springinstallaties en accommodaties in orde zijn.
15.2 De
scheidsrechter leidt de juryvergadering, waarin hij de juryleden instrueert.
15.3 De
scheidsrechter dient zodanig plaats te nemen, dat hij de wedstrijd kan leiden en
er op toe kan zien, dat de reglementen worden nageleefd.
15.4 De
scheidsrechter mag voor het waarnemen van de verrichtingen van de springers
laten assisteren door hulpscheidsrechters met
minimaal de bevoegdheid 7.
15.5 Bij
synchroonspringen stelt de scheidsrechter een hulpscheidsrechter met tenminste
de bevoegdheid 6 aan voor het observeren van de uitvoering van de sprongen. De
scheidsrechter en de hulpscheidsrechter zitten aan de tegenover elkaar liggende
zijden van het zwembad. Zij observeren de uitvoering van de sprong door de
springer aan de eigen zijde. De scheidsrechter is verantwoordelijk voor het
observeren van de synchroniteit.
15.6 Bij
torenspringen wordt een hulpscheidsrechter benoemd voor het observeren van de
verrichtingen op het platform.
15.7 De
scheidsrechter moet de springlijsten (laten) controleren en als een lijst niet
aan de voorschriften blijkt te voldoen de springer zo snel mogelijk de
gelegenheid te geven de lijst te verbeteren voor het begin van de wedstrijd.
15.8 De scheidsrechter mag bij slecht weer of onvoorziene omstandigheden een wedstrijd voor korte tijd onderbreken of een deel ervan opschorten. Zo mogelijk dient dit te gebeuren nadat alle springers een gelijk aantal sprongen hebben uitgevoerd.
15.9 De
wedstrijd zal worden voortgezet vanaf het punt waar deze werd onderbroken. De
resultaten, die voor de onderbreking zijn behaald, worden bewaard voor het
vervolg van de wedstrijd ongeacht wanneer deze zal worden gehouden.
15.10 Bij
harde wind kan de scheidsrechter alle deelnemers toestaan om opnieuw met een
sprong te beginnen zonder dat hiervoor punten worden afgetrokken .
15.11 Bij
nationale kampioenschappen en daarmee door het bondsbestuur gelijk te stellen
wedstrijden wordt de sprongcode aangegeven op een indicatiebord. Bij het
torenspringen zal ook de spronghoogte op het indicatiebord worden getoond. Het
bord moet goed zichtbaar zijn voor de springer en de beoordelaars.
Het indicatiebord heeft voorrang op de mondelinge aankondiging van de sprong,
maar is ondergeschikt aan de springlijst en dient vóór elke sprong door of
namens de scheidsrechter te worden geverifieerd.
15.12 De
scheidsrechter of de officiële omroeper dient voor elke sprong de naam van de
springer en de uit te voeren sprong aan te kondigen. Bij gebruik van
verschillende platforms zal de hoogte hiervan eveneens worden vermeld. Wanneer
gebruik wordt gemaakt van een indicatiebord blijft de mondelinge aankondiging
beperkt tot de naam van de springer.
15.13 De
mondelinge aankondiging van de sprong mag niet plaatsvinden voordat de springer
zich op de springplank of het platform bevindt.
15.14 Indien
een sprong verkeerd is aangekondigd dient de springer of zijn vertegenwoordiger
dit onmiddellijk te laten herstellen, zo mogelijk nog vóór de uitvoering van
de sprong. De springlijst is bepalend voor de sprong die moet worden uitgevoerd.
15.15 Wanneer
de verkeerd aangekondigde sprong al is uitgevoerd kan de scheidsrechter deze
laten vervallen en meteen daarna de sprong opnieuw (laten) aankondigen en doen
uitvoeren.
15.16 Een
springer die een sprong weigert uit te voeren, krijgt daarvoor 0 punten.
15.17 Iedere
springer dient voldoende tijd te krijgen voor het voorbereiden en uitvoeren van
een sprong. Wanneer de voorbereiding, na een voorafgaande waarschuwing van de
scheidsrechter, langer duurt dan 1 minuut krijgt de springer 0 punten voor de
aangekondigde sprong.
15.18 De
sprong moet worden uitgevoerd na een signaal van de scheidsrechter. Dit signaal
mag niet worden gegeven voordat de springer op de springplank of het platform
heeft plaatsgenomen. De springer mag zich niet naar het einde van de springplank
of het platform begeven, voordat de scheidsrechter het signaal heeft gegeven.
15.19 Indien
een sprong vóór het signaal wordt uitgevoerd dient de scheidsrechter te
beslissen of de sprong moet worden herhaald.
15.20
De
scheidsrechter mag een (mislukte) sprong laten herhalen wanneer de uitvoering
ervan volgens hem door buitengewone omstandigheden werd beïnvloed.
15.21 Het
verzoek om een sprong te mogen herhalen moet onmiddellijk door de springer of
zijn vertegenwoordiger bij de scheidsrechter worden ingediend.
15.22 In
alle gevallen dat de scheidsrechter besluit dat een sprong mag worden herhaald,
moet de eerste sprong ook worden beoordeeld en de cijfers ervan worden
genoteerd. De cijfers zijn dan beschikbaar indien een eventueel protest wordt
toegewezen.
15.23 Indien
de scheidsrechter overtuigd is, dat de springer een andere sprong heeft gemaakt
dan werd aangekondigd, dan moet hij deze sprong "geheel mislukt"
verklaren.
15.24 Wanneer
een rotatie om lengte- en/of breedte-as 90 graden of meer van de aangekondigde
sprong afwijkt, verklaart de scheidsrechter de sprong "geheel
mislukt".
15.25 De
scheidsrechter mag een sprong "geheel mislukt" verklaren, wanneer hij
meent, dat tijdens het uitvoeren van de sprong hulp werd verleend aan de
springer. De uitvoering wordt geacht in te gaan zodra de scheidsrechter het
signaal geeft.
15.26 Als
een springer de orde tijdens een wedstrijd verstoort kan de scheidsrechter hem
diskwalificeren.
Indien
een springer wordt gediskwalificeerd wordt hij niet opgenomen in de uitslag van
de wedstrijd.
15.27 De
scheidsrechter is bevoegd een beoordelaar, die naar zijn mening niet naar
tevredenheid functioneert, te vervangen. Na afloop van de wedstrijd moet de
scheidsrechter dit schriftelijk in een rapport vastleggen. Dit rapport wordt
apart opgestuurd aan het bondsbestuur.
15.28 Een
dergelijke vervanging mag uitsluitend plaatsvinden aan het einde van een
wedstrijdonderdeel of nadat door alle deelnemers een gelijk aantal sprongen is
uitgevoerd.
15.29 Aan
het einde van de wedstrijd controleert de scheidsrechter samen met de
secretarissen de springlijsten en de wedstrijduitslagen en bekrachtigt de
einduitslag met zijn handtekening. Wanneer een computer gebruikt wordt,
bekrachtigt de scheidsrechter het eindresultaat met zijn handtekening op de
computeruitdraai.
naar
artikel F14 naar artikel F16
( Disclaimer : De op deze site opgenomen teksten zijn afkomstig uit het schoonspring-reglement van de
KNZB. Hoewel de tekst met de grootste zorg is samengesteld en naar beste weten van de
webmaster geen fouten bevat is de tekst in het reglementen
boek van de KNZB leidend. De KNZB is niet verantwoordelijk voor de op deze site
gepubliceerde teksten)
©HMJD/01-01-2006