Joop Stotijn schoonspringafdeling van DSZ

HOMEPAGE - INDEX PAGINA SCHOONSPRING REGLEMENT

REGLEMENT BIJLAGE IX

Bijlage F IX Specificaties voor schoonspring accommodaties

1.      Springplanken

1.1     Springplanken dienen minstens 4.8 meter lang en 0.5 meter breed te zijn. Bij alle FINA evenementen wordt het type springplank bepaald door FINA.

1.2     De springplanken moeten zijn  voorzien van een afdoend stroeve bovenlaag.

1.3     De springplanken moeten zijn voorzien van een steunrol die door de springer gemakkelijk is te verstellen.

1.4     De verticale afstand tussen het platform, waarop de rolverstelling zich bevindt, en het hoogste punt van de springplank dient 0.365 meter te bedragen.
De afstand vanaf de voorkant van de rolverstelling (die 0.676 meter lang is) tot aan de voorkant van het platform waarop zich de rolverstelling bevindt, mag maximaal 0.68 meter zijn. Als de voorkant van het platform voorbij deze lengte komt, dient het platform hellend naar beneden te lopen met een hellingshoek van 1 verticale eenheid ten opzichte van 3 horizontale eenheden.

1.5     De minimum aanbevolen afstand van de achterzijde van de springplank tot de middellijn van de rol in de achterste stand moet overeenkomen met de fabrieksvoorschriften  van de springplank.

1.6     De springplanken dienen volkomen waterpas te liggen aan de tip van de plank bij elke positie van de rolverstelling.

1.7     De springplanken moeten geplaatst worden aan één of beide zijden van het platform. Voor synchroonspringen is het beter dat tenminste twee springplanken op dezelfde hoogte naast elkaar geplaatst worden, opdat geen enkel object het zicht voor de springers tijdens de sprong kan belemmeren.

 2       Springtorens

2.1     Elk platform dient onbuigzaam te zijn en en waterpas horizontale bovenzijde te hebben.

2.2     De minimum afmetingen van de platforms zijn:

Hoogte platform Breedte  Lengte
0.6m tot 1.0m   0,6m 5,0m
2.6m tot 3.0m  0,6m (voorkeur 1,5m) 5,0m
5.0m 1,5m 6,0m
7.5m 1,5m   6,0m
10m 3,0m 6,0

Op 10m platforms, met een breedte van minder dan 3 meter mogen alleen de leuningen aan elke zijde met een afstand van ten minste 3,0 meter gerekend vanaf de voorzijde van het platform zijn geconstrueerd zoals hierna geïllustreerd. Het wordt aanbevolen dat een gemakkelijk verwijderbaar gedeelte van de leuningen wordt gebruikt voor algemeen gebruik, dat verwijderd kan worden voor synchroonspringen (zie diagram). 

2.3     De voorkant van het platform zal 0.2 meter en maximaal 0.3 meter zijn en kan verticaal zijn of schuin onder een hoek van hoogstens 10° ten opzichte van de loodlijn teruglopend naar de voet van toren.

2.4     Het oppervlak en de voorzijde van het platform moeten overal bedekt zijn met een veerkrachtige stroeve bovenlaag. De twee oppervlakken dienen apart bedekt te worden om zo een zuivere hoek van 90° te verkrijgen zoals beschreven in FR 5.2.3.

2.5     De voorzijde van 10.0 meter en 7.5 meter platforms moet tenminste 1.5 meter uitsteken over de rand van de bassinwand. Voor 2.6 meter, 3.0 meter en 5.0 meter platforms is een afstand van de rand van 1.25 meter aanvaardbaar en voor 0.6 tot 1.0 meter platforms is 0.75 meter een aanvaardbare afstand.

2.6     Als een platform zich direct onder een ander platform bevindt, dient het hogere platform tenminste 0.75 meter (bij voorkeur is de afstand 1.25 meter) uit te steken over de rand van het platform eronder.

2.7     De achterzijde en zijkanten van elk platform (behalve een 1.0 meter platform) moeten zijn voorzien van leuningen met een minimum afstand van 1.8 meter tussen  de linker- en rechter leuning. De  minimum hoogte is 1.0 meter en  ze dienen voorzien te zijn van tenminste twee dwarsstangen geplaatst buiten het platform die beginnen op 0.8 meter van de voorzijde van het platform.

2.8     Elk platform moet via een geschikte trap (geen ladder) toegankelijk zijn.

2.9     Een platform dient bij voorkeur niet direct onder een ander platform te worden aangebracht.

2.10   Eisen aan de ondersteunende bouw van het platform. Voor platforms en springstellages dient de ontwerp belasting ( p) 350 kilo ponden (kilogrammen kracht)  per strekkende meter te bedragen.

         In aanvulling op de statische eisen en voor het comfort en de veiligheid van de gebruiker met betrekking tot de beweging van de torens, dient te worden voldaan aan de volgende limieten   voor wat betreft de platforms en springsstellages:
Grondfrequentie van de platforms: 10.0 Hz
Grondfrequentie van de toren: 3.5 Hz
Oscillatie van de gehele structuur: 3.5 Hz

De ruimtelijke vervorming van de rand van het platform als resultaat van Px = Py – Pz = 100 kilo (kilogrammen kracht) mag maximaal 1mm bedragen (zie tekening). Aan deze eisen kan het best worden voldaan door toepassing van een structuur van gewapend beton. Het bewijs van de dynamische eigenschappen dient te worden aangetoond met behulp van de statische calculatie voor de gehele structuur. 

3       Algemene Eisen

3.1     Voor baden die ontworpen en gebouwd zijn na maart 1991 zijn de minimum afmetingen in meters voor schoonspringaccommodaties als aangegeven in de “FINA Dimensies voor Springfaciliteiten”-tabel en in het “Springfaciliteiten Diagram” bepalend, waarbij voor verwijzing als een standaardmeetpunt de loodlijn wordt  gebruikt. Dit is een verticale lijn die door het midden van de voorzijde van de springplank of het platform loopt. Voor projecten met een belangrijke status worden bij voorkeur de aanbevolen afmetingen gebruikt.

3.2     De afmetingen C van loodlijn tot aangrenzende loodlijn in de “FINA Afmetingen voor springfaciliteiten” tabel gelden voor platforms met breedtes zoals beschreven in bijlage X. Als de breedtes van de platforms vergroot worden, dienen de afmetingen C vergroot te worden met de helft van de toename van de breedte van de platforms.

3.3     De hoogte van de springplanken en elk platform boven het wateroppervlak mag variëren met 0.05 meter omhoog en 0.00 meter omlaag van de voorgeschreven hoogtes.

3.4     De rand van een 5 meter platform mag niet verder uitsteken dan de randen van de 3 meter springplanken.

3.5     In het gebied van de grootste waterdiepte, mag de bodem van het bad tot 2% stijgen. In het springbassin mag de diepte van het water nergens minder dan 1.8 meter zijn.

3.6     In buitenbaden wordt aanbevolen de springplanken en platforms met het zicht op het noorden te plaatsen op het Noordelijk Halfrond en met het zicht op het zuiden op het Zuidelijk Halfrond.

3.7     De minimale verlichting op een niveau van 1 meter boven het wateroppervlak mag niet minder zijn dan 600 lux.

3.8     Natuurlijke en kunstmatige lichtbronnen moeten zo bediend kunnen worden dat schittering in het wateroppervlak wordt tegengegaan.

3.9     De watertemperatuur mag niet lager zijn dan 26° Celsius.

3.10   Mechanische beroering van het wateroppervlak onder de springfaciliteiten moet mogelijk zijn, opdat de springers  het wateroppervlak goed kunnen waarnemen. In baden die voorzien zijn van een onderwater bubbelmachine, dient de machine alleen gebruikt te worden voor dit doel als het voldoende waterberoering creëert als er gewerkt wordt met een zeer lage druk; indien dit niet het geval is dient een horizontaal watersproeisysteem te worden gebruikt.

3.11   De stoelen voor de jury bevinden zich op een hoogte van 1.5 meter tot 2.0 meter boven het wateroppervlak voor 3 meter en torenspringen, afhankelijk van de omstandigheden. Voor 1 meter springen mogen gewone stoelen worden gebruikt.

      SCHOONSPRINGACCOMMODATIES VOOR OLYMPISCHE SPELEN EN WERELDKAMPIOENSCHAPPEN

4.1     Voor Olympische Spelen en Wereldkampioenschappen is het gestelde onder de artikelen van deze bijlage geheel van toepassing, echter de lichtintensiteit op een niveau van 1 meter boven het wateroppervlak dient minimaal 1500 lux te zijn.

4.2     Wat betreft de afmetingen voor de springfaciliteiten dienen de geprefereerde afmetingen zoals opgenomen in de “FINA Afmetingen voor Springfaciliteiten” tabel in acht te worden genomen.

4.3     Indien het zwembad en de separate springkuil zich in dezelfde ruimte bevinden zal de onderlinge afstand ten minste 5 meter zijn.

( Disclaimer : De op deze site opgenomen teksten zijn afkomstig uit het schoonspring-reglement van de KNZB. Hoewel te tekst met de grootste zorg is samengesteld en naar beste weten van de webmaster geen fouten bevat is de tekst in het reglementen boek van de KNZB leidend. De KNZB is niet verantwoordelijk voor de op deze site gepubliceerde teksten)

©HMJD/04-05-2007