
Joop
Stotijn schoonspringafdeling van DSZ
HOMEPAGE - INDEX PAGINA SCHOONSPRING REGLEMENT
REGLEMENT BIJLAGE VII
Bijlage F VII Jurysamenstelling voor specifieke wedstrijden en samenvatting van beslissingen van scheidsrechter en beoordelaar1.
Jurysamenstelling voor specifieke wedstrijden
2. Beslissingen
van de scheidsrechter
3. Beslissingen
van beoordelaars
1. Jurysamenstelling voor specifieke wedstrijden
1.1
Algemeen
Bij alle wedstrijden in Nederland dienen de juryleden
tenminste de bevoegdheid 7 en de leden van het secretariaat
de bevoegdheid T te bezitten. Het bondsbestuur kan voor
specifieke wedstrijden nadere eisen stellen voor wat betreft
de bevoegdheden die de jury moet hebben.
1.2
Jurysamenstelling voor
nationale kampioenschappen, internationale wedstrijden en
daaraan door het bondsbestuur gelijk te stellen wedstrijden.
De scheidsrechter voor deze evenementen dient in bezit te
zijn van de bevoegdheid 5 en de beoordelaars dienen tenminste
de bevoegdheid 6 te hebben. Indien de scheidsrechter ook als
beoordelaar optreedt moet er gebruik worden gemaakt van een
aparte omroeper. Het bondsbestuur mag toestemming geven om
een beoordelaar met bevoegdheid 7 in te schakelen ten behoeve
van het opdoen van ervaring en voor het krijgen van een
beoordeling.
1.3
Jurysamenstelling voor
kringkampioenschappen
De scheidsrechter bij kringkampioenschappen heeft bij
voorkeur de bevoegdheid 5 maar tenminste de bevoegdheid 6. De
beoordelaars hebben bij voorkeur de bevoegdheid 6.
1.4
Jurysamenstelling voor
synchroonspringen
De scheidsrechter bij kringkampioenschappen heeft bij
voorkeur de bevoegdheid 5 maar tenminste de bevoegdheid 6. De
beoordelaars voor synchroniteit hebben bij voorkeur de
bevoegdheid 6.
1.5 Jurysamenstelling voor niveau-testen
De jury bij een niveau-test bestaat uit 3 personen elk
afkomstig uit een andere vereniging. De juryleden zijn
tenminste in het bezit van de bevoegdheid 6. De jury wordt
bijgestaan door één secretaris met de bevoegdheid T. Om
beoordelaars met de bevoegdheid 7 in staat te stellen
beoordeeld te worden mag één van de beoordelaars vervangen
worden door een beoordelaar met bevoegdheid 7 voor het
verkrijgen van een beoordeling.
1.6
Jurysamenstelling voor diploma
springen
De jury voor diploma springen zal tenminste uit 3 personen
bestaan waarbij de scheidsrechter tenminste de bevoegdheid 6
heeft.
2. Beslissingen
van de scheidsrechter
Opgenomen is een samenvatting van de beslissingen welke door
de scheidsrechter worden genomen. De omschrijvingen zijn
bedoeld als hulpmiddel en komen niet in de plaats van de
artikelen opgenomen in het reglement.
2.1
Beslissing een sprong opnieuw te laten uitvoeren
15.10
Als bij harde wind de springer daardoor beïnvloed is en hij verzoekt de sprong
over te mogen doen.
15.15
Als een sprong verkeerd is aangekondigd mag de scheidsrechter opnieuw laten
springen.
15.18
Als de sprong vóór het signaal is uitgevoerd besluit de scheidsrechter dat
deze sprong opnieuw moet worden uitgevoerd.
15.20
Op verzoek indien naar de mening van de scheidsrechter buitengewone
omstandigheden de uitvoering heeft beïnvloed.
2.2
Beslissing sprong 'geheel mislukt' te verklaren - 0 punten
15.16
Als een springer een sprong weigert uit te voeren.
15.17
Indien na een waarschuwing de springer na één minuut nog niet zijn sprong
heeft gemaakt.
15.23
Indien de scheidsrechter overtuigd is dat de springer een andere sprong heeft
gemaakt dan aangekondigd.
15.24
Wanneer een rotatie om lengte- en/ of breedte-as 90 graden of meer van de
aangekondigde sprong afwijkt.
15.25
Als de scheidsrechter meent dat bij de uitvoering van de sprong hulp werd
verleend aan de springer.
16.3.8
Wanneer alle cijfers voor synchroniteit 0 zijn, is de sprong geheel mislukt.
16.3.9
Wanneer beide cijfers voor de uitvoering van één van de twee 0 zijn is de
sprong geheel mislukt.
16.3.10
Als bij synchroonspringen de eerste springer al het water raakt voor de ander
los komt van de plank.
17.4.4
Wanneer (behalve bij sprongen van een platform) de opsprong met twee voeten of
de afzet met één voet wordt uitgevoerd.
17.7.2
De scheidsrechter zal de sprong “geheel mislukt” verklaren als de tweede
sprongpoging mislukt indien:
- de springer opnieuw begint met een sprong uit stand nadat de armzwaai is
ingezet;
- de springer de plank in beweging heeft gebracht met zijn voeten of benen, de
beweging vervolgens stopt en weer opnieuw begint (opnieuw begint met zijn “fore-movement”);
- de springer opnieuw begint met een aanloop;
- de springer opnieuw begint met een handstand;
- de springer tijdens het maken van de handstand één of twee handen verplaatst
ten opzichte van de originele plaats aan het einde van het platform.
2.3
Beslissing elk cijfer van de beoordelaars met twee punten te verminderen
17.4.5
Als een aanloop voor het einde van de plank onderbroken wordt en daarna
doorgaat.
17.7.2
De scheidsrechter zal 2 punten aftrek toepassen na één mislukte poging indien:
- de springer opnieuw begint met een sprong uit stand nadat de armzwaai is
ingezet;
- de springer de plank in beweging heeft gebracht met zijn voeten of benen, de
beweging vervolgens stopt en weer opnieuw begint (opnieuw begint met zijn “fore-movement”);
- de springer opnieuw begint met een aanloop;
- de springer opnieuw begint met een handstand;
- de springer tijdens het maken van de handstand één of twee handen verplaatst
ten opzichte van de originele plaats aan het einde van het platform.
2.4
Beslissing dat het cijfer maximaal 2 mag zijn
17.8.8
Als de sprong in een andere lichaamshouding werd uitgevoerd dan aangekondigd.
2.4
Beslissing dat het cijfer maximaal 4½ mag zijn
17.3.4
Bij sprongen uit stand als de springer loskomt van de plank en vervolgens twee
of meer malen met twee voeten tegelijk terug komt op de plank (veert).
17.8.2
Indien de gestrekte houding in een zweefsalto minder dan een kwart salto (90°)
wordt getoond bij sprongen met één salto en indien de gestrekte houding minder
dan een halve salto (180º) wordt getoond bij sprongen met anderhalve salto of
meer.
17.10.4
Als één of beide armen boven het hoofd wordt gehouden bij voetlandingen of
onder het hoofd bij een landing met het hoofd naar beneden.
3. Beslissingen
van beoordelaars
Opgenomen is een samenvatting van de beslissingen welke door
de beoordelaars worden genomen. De omschrijvingen zijn
bedoeld als hulpmiddel en komen niet in de plaats van de
artikelen opgenomen in het reglement.
3.1
Beslissing 0 punten toe te kennen
16.2.6
Als de beoordelaar vindt dat een andere sprong werd uitgevoerd dan was
aangekondigd.
16.3.10
Bij synchroonspringen geldt hetzelfde voor de beoordelaar voor uitvoering van
één van beide springers.
3.2
Beslissing maximaal 2 punten toe te kennen
17.8.9
Als een sprong duidelijk in een andere houding is uitgevoerd.
16.3.11
Bij synchroonspringen geldt hetzelfde voor de beoordelaar voor uitvoering van
één van beide springers.
3.3
Beslissing maximaal 4½ punt toe te kennen
17.3.5
Als de springer voor de afzet loskomt van de plank of platform en vervolgens
terug komt op de plank of het platform bij sprongen uit stand. Ook als de
scheidsrechter niet bepaald dat de maximale score voor de sprong 4½ punt is.
17.8.2
Indien de gestrekte houding in een zweefsalto minder dan een kwart salto (90°)
wordt getoond bij sprongen met één salto en indien de gestrekte houding minder
dan een halve salto (180º) wordt getoond bij sprongen met anderhalve salto of
meer.
17.8.10
Wanneer een sprong gedeeltelijk in een andere houding is uitgevoerd.
3.4 Beslissing ½ tot 2 punten in mindering te brengen
16.3.11
Iedere beoordelaar voor synchroniteit zal naar eigen inzicht ½ tot 2 punten in
mindering brengen indien de synchroniteit wordt doorbroken in:
- de aanvangshouding, de aanloop, de afzet en hoogte van de beide sprongen;
- de gelijktijdigheid en gelijkvormigheid van bewegen tijdens de vlucht;
- de overeenkomst van de hoeken waaronder wordt geland;
- de vergelijkbare afstand van de landing tot de springplank c.q. het platform;
- de gelijktijdigheid van de landingen.
17.3.6
Wanneer de voeten van een springer bij een voor‑ of achterwaartse afzet
slechts weinig los komen van de springplank of het platform, voordat de
eigenlijke afzet plaatsvindt.
17.4.3
Indien de aanloop niet zonder aarzeling in een vloeiende beweging naar het
uiteinde van de plank of het platform wordt uitgevoerd zal iedere beoordelaar
naar eigen inzicht ½ tot 2 punten in mindering brengen.
17.5.2
Indien de juiste aanvangshouding niet wordt aangenomen.
17.5.4
Indien de afzet niet gedurfd, hoog, zelfverzekerd en vanaf het einde van de
plank of platform is.
17.6.4
Als geen evenwichtige handstand in de gestrekte lichaamshouding wordt getoond.
17.8.7
Indien bij de lichaamshoudingen gestrekt (A), gehoekt (B) of gehurkt (C) niet
geheel is voldaan aan alle eisen uit het reglement. Bij gestrekt zonder buiging
in heupen en knieën en met gestrekte armen. In gehoekt zonder buiging in knieën,
armhouding vrij. Bij gehurkt zeer compact met de armen op de onderbenen. In alle
gevallen met de benen tegen elkaar en de voeten gestrekt.
17.9.1
Als een schroefbeweging duidelijk zichtbaar van de springplank of het platform
wordt meegenomen.
17.9.3
Indien bij gehoekte schroefsprongen de hoekhouding niet duidelijk wordt getoond
gedurende het verloop van de sprong.
17.9.4
Indien bij gehurkte schroefsprongen de hurkhouding niet duidelijk wordt getoond
gedurende het verloop van de sprong.
17.10.5
Indien één arm of beide armen bij het induiken niet in de voorgeschreven
houding zijn, tenzij de scheidsrechter bepaald dat het cijfer maximaal 4½ is
voor deze sprong.
3.5
Beslissing naar eigen inzicht punten in mindering te brengen
17.7.3
Als een springer de springplank of het platform raakt of naast de springplank of
het platform springt.
17.10.1
Indien de landing te kort is of doorslaat.
( Disclaimer : De op deze site opgenomen teksten zijn afkomstig uit het schoonspring-reglement van de
KNZB. Hoewel te tekst met de grootste zorg is samengesteld en naar beste weten van de
webmaster geen fouten bevat is de tekst in het reglementen
boek van de KNZB leidend. De KNZB is niet verantwoordelijk voor de op deze site
gepubliceerde teksten)
©HMJD/04-05-2007